De eerste stand-upcomedian die ik zag zal Lenny Bruce zijn geweest. Nou ja, in een speelfilm over deze Amerikaanse komiek. In de bioscoop in 1974. Daarna niets meer. Maar nu is er Netflix en ik ontdek de ene stand-upcomedian na de andere. Ik weet niet of dit de beste in de business zijn, maar ik vind het geweldig. Ook weet ik niet of het een langdurige verliefdheid zal zijn. Wie weet. Nederland kent vooral een cabaret-traditie. Met sketches en muziek wordt over het algemeen zeer beschaafd de maatschappij onder de loep genomen. Zo gaat het niet bij stand-upcomedy. Nee. Dat is ruw, grof en soms meedogenloos. Het gaat over van alles. Maar de man-vrouw relatie komt bij iedereen wel aan bod. De Amerikanen Dave Chappelle, Chris Rock en Kevin Hart roeren flink in de rassendiscriminatie pot. Bill Burr haalt op hilarische wijze de Amerikaanse droom onderuit. De Australische Hannah Gadsby is indrukwekkend als ze vertelt over haar leven als lesbienne in een kleine gemeenschap. De eveneens Australische Jim Jefferies stampt met satanisch genoegen op alle heilige huisjes. De kunst van verhalen vertellen is de gemeenschappelijke factor. Dat doen ze echt fantastisch. En er zijn er nog veel meer. Fijn.